Opgewonden komt Elian op dinsdag thuis. ‘Eerst moeten de bekers af, en ik moet nog zus en zo doen (ik begrijp het niet helemaal) en als ik dat allemaal af heb, dan kan Maira komen spelen!’
Maira zit zowel bij hem in het busje als in zijn klas.
‘Hoe bedoel je, de bekers moeten af?’ vraag ik.
‘Nou gewoon, die moet ik nog afmaken. Kijk, dit is er één.’ Hij laat me een papiertje zien dat min of meer in de vorm van een beker is geknipt en met stift oranje is gekleurd.
‘Goed hoor,’ zeg ik.
Hij springt op en neer van plezier en gaat vlug verder met de beker.
Ook de volgende dag, als zijn vaste begeleider er is, werkt hij aan zijn bekers. Tot hij uitroept: ‘Ze zijn klaar! Morgen moet Maira komen!’
‘Dan moeten we even kijken, of dat kan,’ zeg ik voorzichtig.
‘Nee!’ Hij stampvoet meteen. ‘Morgen moet ze komen!’
‘Maar lieverd, ik weet helemaal niet hoe zij woont of wie haar ouders zijn.’
‘Nou, ze woont met een moeder,’ antwoordt hij op een manier alsof ik dan wel even het telefoonnummer kan opzoeken in het telefoonboek.
‘Dat helpt niet met te vinden waar ze woont,’ leg ik uit.
‘Ze woont vlak bij de winkels, op nummer 64,’ vertelt hij verder.
‘Weet je bij welke winkels?’
Hij schudt zijn hoofd.
‘Weet je hoe ze van achternaam heet?’
‘Nee, maar ik wil wel dat ze komt!’ Hij wordt opnieuw boos. ‘We kunnen toch gewoon naar haar toe rijden?’
‘Zo werkt het niet helemaal lieverd,’ antwoord ik, en voeg snel toe als ik zie dat hij echt razend wordt: ‘Maar ik zeg niet dat het niet mag. Als Maira’s ouders het goed vinden, vind ik het prima. Weet je wat we doen? Ik schrijf een briefje aan haar ouders, dat jij graag met haar wil spelen, en vraag of ze me willen bellen. Dan geef jij dat briefje morgen aan Maira en kan zij het aan haar ouders geven. Oké?’
Mokkend kiest hij eieren voor zijn geld. ‘Goed dan.’
De volgende dag word ik om tien over drie al gebeld. ‘Hallo, met Janneke.’
Janneke? denk ik. Wie is Janneke? ‘Ja, hallo.’
Ze merkt mijn aarzeling. ‘Ik ben de moeder van Maira.’ Ze vindt het prima als de twee willen spelen.
Als Elian thuiskomt, vertel ik dat we direct Maira gaan halen. Normaal is zoiets te onverwacht en moet er tijd tussen zitten, maar hij wou dit zo graag dat ik inschat dat het wel kan. Hij is inderdaad meteen blij.
Een poos later zijn ze samen bij ons aan het spelen. Nu ja, samen: Elian commandeert Maira en zij doet redelijk wat hij zegt.
Als Elian weer eens schreeuwt: ‘Maira, kom nou!’ zegt ze: ‘Jaja, rustig maar.’
Later gaan we fietsen. Elian heeft altijd wat moeite met opstappen. Maira mag op Maries fiets, maar die is wat te groot voor haar, dus zij heeft hulp nodig bij het opstappen.
Nadat we een poosje gefietst hebben, staan we allemaal stil. Dan willen Elian en Maira beiden opstappen. Doordat ik Maira help, fietst zij al weg als het Elian nog niet gelukt is om op te stappen. Hij wordt kwaad. ‘Stop! Je moet stoppen!’
Maira rijdt onverstoorbaar door en Elian schiet er als een komeet achteraan: hollend. Hij lukt hem zelfs haar in te halen en hij houdt haar bagagedrager vast. ‘Je moet stoppen! En je moet hier nu wachten!’
Dat laatste weigert ze, dus Elian komt snel terughollen en stapt op zijn fiets. Nu wacht Maira braaf tot hij bij haar is. Elian passeert haar en gaat er met een noodgang vandoor. Hoe ik ook roep dat hij moet wachten, hij blijft vooruit fietsen, zelfs helemaal tot thuis. Het laatste stuk moet ik Maira duwen, want ze kan zijn tempo absoluut niet bijhouden.
Thuis spreek ik Elian er op aan dat hij zo ver vooruit fietste.
‘Maar we deden een race!’ verklaart hij.
‘Maar jij werd heel boos toen Maira vooruit fietste!’
Hij haalt zijn schouders op. De parallel lijkt hij niet zo goed te zien.
Als Maira en Elian twee tellen binnen zijn, willen ze buiten spelen. Dat mag, als ik ze maar kan zien. Eerst vraag ik of ze het leuk vinden als Maira blijft eten. Ik heb namelijk twee bakken kliekjes, waarvan één bak te weinig is voor ons gezin, maar twee veel te veel zijn. Ze willen het heel graag! En gelukkig blijkt Maira’s moeder het goed te vinden.
Tijdens het eten schept Maira zonder het te vragen meer op, maar ik ben blij dat er eens een kind van mijn eten smikkelt.
Na de maaltijd kondig ik aan dat we Maira terug naar huis brengen.
‘Maar ik wil hier nog blijven!’ protesteert ze.
‘Het wordt al laat, meid, je moet echt naar huis,’ leg ik uit.
Wanneer we de jassen en schoenen aan doen zegt Maira: ‘Ik vond het heel leuk om hier te spelen. En bedankt voor het lekkere eten!’
Later op de avond praat ik met Elian. ‘Het was leuk vanmiddag, hè?’
Hij knikt.
‘Jullie kunnen vast nog een keer spelen.’
Hij trekt een nors gezicht. ‘Dat weet ik niet.’
‘Jullie vonden het allebei leuk, dus jullie gaan vast nog eens spelen.’
‘Dat weet ik niet,’ herhaalt hij.
Ik moet er om lachen. Dit soort sociale dingen lopen met hem gewoon altijd een beetje anders.
Ik denk terug aan een zeldzame keer dat Elian eens met klasgenootje Pim speelde, toen hij nog op de reguliere kleuterschool zat. Ik haalde hem op en sprak in de deuropening nog even met Pims moeder, waar Elian en Pim bij stonden. Alles was goed gegaan.
‘Mooi,’ zei ik blij, ‘dan kan er vast wel weer eens gespeeld worden.’
‘Ja,’ riep Elian stralend. ‘Dan wil ik met Piet spelen!’
Saturday, January 21, 2012
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
0 comments:
Post a Comment