Tuesday, October 30, 2012

Vervangende buschauffeur

Het is tien voor acht ’s ochtends en Elians chauffeuse Joke is er nog niet. Normaal is ze er altijd om kwart voor acht en ze is redelijk stipt.
Nog een paar minuten later herinner ik me dat Joke eens had gezegd dat haar dochter zwanger was en dat ze een week vrij zou nemen als haar kleinkind geboren zou zijn. Wellicht dat het kind nu is geboren. Ik bereid Elian erop voor dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat hij wordt opgehaald door een andere buschauffeur.
Dat is inderdaad het geval. Tegen achten gaat de bel. Als ik de deur open, staat de vervanger het papiertje op onze deur te lezen, waarop staat wie wel bij ons mag aanbellen en wie niet. We stellen ons aan elkaar voor. De vervanger heet Hans. Direct na het voorstellen loopt Hans naar het busje. Dat bevreemdt me. Het lijkt mij, zeker voor een vervangende buschauffeur, normaal dat je in de korte tijd die het kind nodig heeft om naar het busje te komen (Elian bijvoorbeeld geeft iedereen even een kus en pakt zijn tassen) even met de ouders praat, om te vragen of er bijzonderheden zijn. Ook vind ik het normaal dat je met het kind meeloopt naar het busje. Maar afijn, Elian is ondertussen wel wat gewend qua buschauffeurs, dus hij stapt braaf in.

Wanneer Hans Elian ’s middags thuisbrengt, duwt hij hem bij onze voordeur naar voren en zegt: ‘Ga je de buschauffeur nu beloven dat je nooit meer gaat ruziemaken in de bus?’
‘Heeft hij ruziegemaakt in het busje?’ vraag ik.
Hans knikt.
Er ontvouwt zich ongeveer het volgende gesprek:
‘Dat zou er iets mee te maken kunnen hebben dat hij vandaag een andere buschauffeur had,’ vertel ik. ‘Hij heeft namelijk een stoornis, en -’
Hans onderbreekt me en roept: ‘Ja, maar hij moet het toch leren, hè, dat hij geen ruzie moet maken, dat kan hij later in de maatschappij ook niet!’
‘Daar heeft u gelijk in,’ erken ik, ‘maar hij heeft dus die stoornis en -’
‘Natuurlijk heeft hij een stoornis! Dat weet ik toch ook wel?’
‘Nou, maar ik wou u iets uitleggen -’
‘Legt u het dan uit!’
‘Dat probeer ik, maar ik krijg er geen woord tussen.’
‘Ik doe dit werk al zes jaar! Ze hebben allemaal een stoornis!’ schreeuwt hij. Hij spreekt niet één zin op een kalme toon uit.
‘Jeetje, als u ook zo bent in het busje, ben ik bang dat Elian de hele week gaat ruziemaken!’ laat ik me ontvallen. Daarop probeer ik weer iets te vertellen, maar de chauffeur loopt weg, naar zijn busje, razend en tierend: ‘Ik doe dit werk al zo lang! Leer toch eens met mensen om te gaan!’
Ik ben bang dat hij met die laatste zin bedoelt dat IK niet met mensen om kan gaan …

Van Elian hoor ik dat de kinderen in het busje niets mochten, niets zeggen en geen speelgoedzwaard aan elkaar laten zien. Ook praatte de buschauffeur steeds door hem heen, vertelt Elian.
Ik krijg zo’n naar gevoel van deze Hans dat ik Elian liever niet weer aan hem meegeef. Martin en ik checken onze agenda’s, om te kijken of het ons zal lukken om Elian een week zelf naar school te brengen. Dan bedenk ik dat ik misschien beter even Joke kan bellen. Stel je voor dat ze een dagje griep heeft en dat wij ons in bochten gaan wringen om Elian zelf heen te brengen!
Joke blijkt inderdaad oma te zijn geworden. Ze is bij de bevalling geweest. Ze neemt een week vrij, maar die valt precies in de herfstvakantie. Wat ben ik opgelucht! Wij zijn namelijk heel tevreden over Joke.

Later in die week hoor ik van Joke dat geen van de kinderen die in het busje zitten Hans weer wil als chauffeur. Ze voelden zich niet fijn bij hem. Ook heeft hij tegen een kind geroepen: ‘Hou je bek!’
Helaas neemt Joke de week na de herfstvakantie ook vrij. Onze vrees wordt waarheid: Hans komt Elian ophalen. Deze keer is hij nóg later, pas om tien over acht. Hij belt aan en loopt direct weer naar het busje, dat hij aan het eind van onze oprit heeft geparkeerd.
Martin zegt: ‘Ik wil even met u praten.’
Van vier meter afstand schreeuwt Hans terug: ‘Dat kan niet, ik moet rijden. U kunt uw kind meegeven, of niet!’
Martin antwoordt natuurlijk dat we Elian NIET aan hem meegeven …

Wij vinden het schandelijk dat dit soort buschauffeurs ingezet worden op ritjes naar het speciaal onderwijs. We gaan alles uit de kast halen om Elian deze week zelf naar school te brengen!

Monday, October 22, 2012

Zien is geloven


De oma uit Groningen komt eind van de middag bij ons en blijft eten. Dat gebeurt niet zo vaak. Meestal komen wij bij haar, gezamenlijk, of Elian is alleen bij haar of Rowan en Marie samen.
Na het eten springt Elian alle kanten op en heeft veel lawaai. Zoals hij altijd doet na de maaltijd, als zijn pil uitgewerkt is. Oma kijkt met grote ogen toe. 
Oma brengt de jongens naar bed. Als Elian in bed ligt, komt ze naar ons toe. ‘Jeetje, nu begrijp ik wat jullie met stuiteren bedoelen!’
‘Heb je hem nog nooit zo gezien dan?’ vraag ik verbaasd. Voor ons is dit gedrag zo gewoon.
Ze schudt haar hoofd.
Mijn ogen gaan open. Je kunt mensen dingen vertellen, wij kunnen uitgebreid beschrijven hoe Elian zich gedraagt, begrijpen zullen de mensen het niet. Alle lezers die zelf een kind hebben met een diagnose en die familie en vrienden hebben proberen uit te leggen hoe het kind zich gedraagt, zullen dit herkennen.
En lezers die zelf niet zo’n kind hebben en denken dat mijn blogs ze een aardig idee geeft van hoe het gaat met zo’n kind? Think again! Eerst zien, dan pas echt geloven (en begrijpen)!

[dit blog staat ook op Adhdblog]

Friday, October 5, 2012

Chaos


Het is dinsdag. Elian is voor de tweede dag ziek thuis, maar het was een twijfelgeval of we hem thuis zouden houden of niet en er zit alweer aardig wat leven in hem. Zelf voel ik me niet geweldig. Ik ben bekaf en heb hoofdpijn. In huis is het een troep, mede doordat Elian ziek is en ik dus aan handen en voeten gebonden ben. Opruimen is echter niet zo handig, want ondertussen moet Elian weer flink in de gaten gehouden worden. Ook heb ik ’s middags een belangrijk huwelijk, als ik te veel doe kan mijn hoofdpijn verergeren en ik wil niet het risico lopen dat ik de voltrekking niet op mij kan nemen.
Dit alles bedenk ik terwijl ik in de kamer sta.
‘Wat is er, mama?’ vraagt Elian.
In het kort vertel ik hem mijn overpeinzingen.
‘Ik ga je helpen opruimen!’ roept hij enthousiast. ‘Dan maken we het hele huis netjes!’
Onze speelkamer ...
Ik denk aan onze speelkamer. Alweer weken geleden ging het eens heel goed met Elian. Onder mijn toezicht was hij rustig aan het spelen op de speelkamer. Ik schatte in dat hij wel even alleen kon spelen. Toen ik een halfuur later weer op de speelkamer kwam, zag die eruit alsof er een bom was ontploft. Overal had Elian spullen weggehaald, kleren over de grond gegooid, hele dozen speelgoed omgekeerd en hij had alles overal heen gesmeten. Vanzelfsprekend miste hij daarna het overzicht en planvermogen om de boel weer op te ruimen. Hij had er zo’n puinhoop van gemaakt dat het Martin en mij zelfs nog uren zou kosten om de kamer weer netjes te maken en omdat we steeds andere dingen belangrijker vinden, is dat nog steeds niet gebeurd.
Ik leg Elian uit dat ik me niet zo goed voel en dat we dus niet het hele huis kunnen opruimen.
‘Dan doe jij niks, mama, ik doe het wel alleen!’ biedt hij aan.
Een geweldig aanbod, maar Elian die ons hele huis opruimt, dat is helaas een utopie.
‘Dat vind ik heel lief van jou, maar dat kan jij niet zo goed,’ zeg ik dus. ‘Ik zou het wel heel fijn vinden als je me nu helpt de Megablokken op te ruimen.’ Een paar dagen eerder heeft Elian, heel leuk en knap, van Megablocks de cijfers één tot en met tien gemaakt. De blokken liggen nu echter verspreid over de hele kamer.
Elian wil helpen en doet dat, onder veel aanmoediging, goed. Daarna ga ik met hem naar boven. Ik vraag of Elian op de speelkamer alle schroefjes en dergelijke dingen (ik wijs aan welke ik bedoel) in een bakje wil doen. Ondertussen vouw ik op de overloop een was op.
‘Mama, kijk, dit is er ook van Thomas,’ roept Elian.
Ik loop naar hem toe. Hij houdt een reclameblaadje van Thomasspullen beet. ‘Lieverd, je zou toch die schroefjes opruimen?’
‘Ja, dat ben ik ook aan het doen,’ zegt hij.
Ik ga weer verder met de was opruimen.
Even later klinkt er lawaai uit de speelkamer. Elian heeft een plastic theepot in zijn handen en probeert daar een plastic peer uit te halen.
‘Elian, je zou toch de schroefjes opruimen?’ vraag ik weer.
‘Ja, maar nu ben ik hier even mee bezig,’ antwoordt hij.
‘Begrijp je nu waarom jij niet zo goed kan opruimen?’ vraag ik.
Hij reageert niet, heeft zijn aandacht alweer op iets anders gericht. In tien minuten heb ik een heel wasrek vol was opgevouwen. Elian heeft slechts de helft van de schroefjes in het bakje gelegd.
De chaos in Elians hoofd zorgt vaak ook voor een enorme chaos in ons huis …